Jeu Hoeijmakers

 
Onderstaande brief is het verhaal van Mart Roodbeen, ooggetuige en destijds wonende in de boerderij achter ons, nu Kronenbergweg 23.

                                                                       KERK RAZZIA
Mart Roodbeen
Oktober 1944

Zaterdag 8 oktober is het precies 50 jaar geleden dat de deportatie naar Duitsland plaats vond. Hieronder volgt een verhaal dat plaats vond in Kronenberg.

Zondag 8 oktober 1944

Morgens om kwart voor acht komen er drie Duitse soldaten aan de deur en vragen of er mannen in huis zijn. M’n zus, die op dat moment thuis was zegt, “neen die zijn naar de kerk”.  Het waren de soldaten die bij het artillerie aan de Kruisboom gelegerd waren.

Maar ik was niet naar de kerk, ik was nog in bed. M’n zus zei “Mart maak dat je weg komt de Moffen zijn hier geweest”.

Ik ben toen met de paarden naar het bos gegaan, heb ze daar aan een boom gebonden en hooi gegeven. Al gauw hoorden we het nieuws dat de mannen tussen de 16 en 60 jaar uit de kerk gehaald waren en naar een weiland gebracht waren en van daar te voet naar Sevenum. Mijn vader Pieter en m’n broer Sjaak waren daar ook bij, m’n vader is uiteindelijk niet meer terug gekeerd.

Tegen het middag uur zei mijn zuster dat ik naar ’n ander bos moest een paar honderd meter verder, daar stonden twee kippenhokken. Van het bestaan van die hokken wist ik op dat moment niets. Deze waren gebouwd door drie boeren, in een hok stonden drie paarden en in de andere zes koeien. Buiten stond een grote kist met haksel van haverstro. We hadden zittend op de kisten gegeten en zaten nog wat na te praten. We waren met acht man, Wiel Peeters, Jan Leysten, Jac en Bert Philipsen, Jan Janssen, Joep Jacobs, Jeu Hoeymakers en ik Mart Roodbeen.  Jeu Hoeymakers was gekleed in vrouwen kleren, zodat de Moffen hem niet zo gauw zouden herkennen bij het eten halen.

Anderen waren wat aan het lopen, Jeu was in het hok gegaan naar de drie paarden en ik zat nog achter op de kist. Opeens hoorden we roepen “stehen bleiben oder ich schieß”. Dat werd drie of vier maal geroepen.

Enkele ogenblikken later stonden we, met de handen omhoog in een rij van oost naar west, omdat ik achteraan zat stond ik als eerste.

Jeu kwam in vrouwenkleren uit het kippenhok en keek niet in de richting van de drie Moffen. Hij zei tegen ons “jongens als jullie wat moeten hebben dan zeg het maar dan ga ik het thuis halen”.

Een van de Moffen kwam, met de karabijn in z’n rechterhand drie a vier passen naar voren en zei tegen Jeu “Du bist kein fraulein” en deed met z’n linkerhand de knoop van de hoofddoek los. Hij draaide zich om en ging drie meter naar voren terwijl hij de pal van het geweer deed, Hij draaide zich in onze richting, hield de karabijn onder de arm en loste een schot. Jeu viel vlak achter mij langs.

De kogel moet in de zij binnen gedrongen zijn.  De Mof kwam naar Jeu toe zette zijn linker laars onder zijn lichaam en draaide hem half om, Jeu heeft niks meer gezegd. Hij ging weer naar voren en trok de lege huls uit het geweer en grendelde het geweer, maar gelukkig bleef het volgende schot uit. Toen moesten we met z’n alle in een rij richting Kruisboom lopen.

We kwamen langs een ander bos, ik dacht nog als dat maar goed gaat. Het kwam niet goed uit, er was daar een schuilhut voor onderduikers, er stonden daar twee bedden, twee fietsen en twee radio’s. Ik moest een radio dragen het was een Nordmende. Ik liep achter aan en een van de Duitser zij “wen du aus die reihe laufs oder der funk fallen last, würdest du von hinten umgelegt”, en dat geloofde ik hem. Toen we aan de Kruisboom waren hebben de Kronenbergse meisjes nog een en andere spullen gebracht. We zijn van daaruit via Sevenum te voet naar Venlo gegaan. Daar zijn we tot donderdag op het St. Thomascolege gebleven. s’Avonds zijn we op de trein gezet naar Wuppertall.

M.R.